Archives for teambuilding

Onderaards – deel 21 – dag 3

grot

Plots schijnt er een zwakke lichtstraal de blokhut in.  Het licht is afkomstig van een zaklamp die Guido tussen zijn lippen klemt. De hut is maar schaars ingericht. Er staat een tafel met twee stoelen en in een hoek staat een bed. Guido schijnt met de zaklamp op een anderhalve literfles water en een papieren zak die hij op de tafel heeft gelegd.
‘Dit is je rantsoen. Wees er zuinig op. Want dit onderdeel van de survival heeft niks met fysieke krachten te maken. Nee, dit gaat om uithoudingsvermogen in de meest pure betekenis.’

 

En voordat ik het in de gaten heb, is hij al terug buiten en hoor ik een sleutel omdraaien in het slot. Het is aardedonker en ik draai me om en loop met uitgestrekte armen tot ik tegen hout aanbots. Ik bonk als een bezetene en roep ‘Guido, laat me niet alleen.’ Mijn handen tasten het hout af en ik voel de deurklink. Ik duw hem naar beneden maar zoals ik al had verwacht, is de deur op slot. Ik roep tot ik schor word maar het heeft geen zin.
Ik draai me om en rust met mijn rug tegen de deur en probeer rustig te worden.
‘Denk na, waar staat de tafel?’
Voorzichtig schuifel ik naar rechts, mijn rug nog steeds tegen de houten wand aangedrukt. Ik voel een oneffenheid en keer nogmaals om, mijn handen tasten de wand af en ik voel een kozijn. Een raam! Mijn vingers stoten tegen ijzeren tralies die nog geen halve centimeter van elkaar op het kozijn zijn vastgemaakt. Geen mogelijk dus om het raam te openen. Gefrustreerd trap ik tegen de wand. Ik beweeg me nog een halve meter opzij en bots tegen de stoel aan. Ik trek hem aan de leuning naar achteren en ga zitten. Op de tast vind ik de fles water en de papieren zak. Ik neem enkele slokken water en moet me bedwingen om niet meer te drinken. Hoe lang zal hij wegblijven? In de zak zitten twee plakkerige broodjes, het blijken krentenbollen te zijn. Zo langzaam mogelijk eet ik er eentje op en dan pak ik de zak en de fles en schuifel met één gestrekte arm voor me uit door de ruimte tot ik tegen het bed aanbots. Ik laat me op het bed vallen, totaal uitgeput en rol me op.

Onderaards – deel 17

grot

Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt…

 

 

 

 

De volgende ochtend word ik stijf wakker, de harde vloer en het verplicht in één houding moeten liggen is niet bevorderlijk voor mijn rug. Moniek ligt nog te slapen. Guido is nergens te bekennen.
Het is koud in de grot. Er komt licht binnen via een spelonk en ik vang een glimp op van de blauwe lucht ver boven mij. Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt vandaag,  maar na gisteren durf ik nergens meer op te hopen en mijn angst om wat die gestoorde gek vandaag met ons van plan is, neemt bezit van mijn hele wezen. Ik begin te trillen en mijn hart slaat op hol. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik voel mijn slokdarm branden. Alles gaat draaien en mijn oren suizen. Wanhopig ruk ik aan de ketting. Ik wil weg, vluchten. Ik moet hier weg.

‘Saskia!’
Een klap tegen mijn wang brengt me terug uit de duisternis.
‘Jeetje meid, je laat me schrikken, je lag helemaal raar te doen in die slaapzak’. Moniek zit op haar knieën naast me.
Ik begin te huilen. ‘Ik ben zo bang, zo bang.’
‘Niet aan toegeven. Kom, gisteren was je zo sterk. We helpen elkaar. Samen kunnen we dit aan. Laat me niet in de steek. Ik heb jouw kracht nodig Sas, anders red ik het ook niet.’
Met betraande ogen kijkt Moniek me smekend aan. Ik zie mijn angst in haar irissen weerspiegelen.
‘Ach wat een ontroerend tafereeltje,’ klinkt het opeens achter me.
Guido is terug.
‘Kan je ons losmaken, we moeten plassen.’
Hij haalt de sleutel van zijn riem en maakt onze ketting die aan de muur geketend is, los. Moniek helpt me omhoog en voetje voor voetje schuifelen we naast elkaar met onze vastgebonden enkels een stukje verder de grot in.

Als we terug sukkelen is Guido al weer bezig met het kampvuurtje en in een mum van tijd vult de geur van verse koffie onze neusgaten. Hij duikelt uit de koelbox een paar pakketjes op waar sandwiches in blijken te zitten.
Het zachte witte kadetje plakt als een bal in mijn droge mond. Ik krijg het nauwelijks doorgeslikt. Mijn verstand zegt dat ik moet eten, mijn zenuwen vertellen een ander verhaal en met de grootst mogelijke moeite lukt het om het kleffe broodje naar binnen te werken. De warme koffie brengt me enigszins een beetje tot rust.
‘Genoeg getreuzeld dames. Klaar voor een nieuwe uitdaging?’
Geroutineerd dooft Guido het vuurtje door er zand over de schoppen met zijn  North Face bergschoenen. Hij legt de slaapplekken netjes en het lijkt alsof niemand hier de nacht heeft doorgebracht.

‘Kom schatjes, vandaag het echte werk.’
We strompelen achter hem aan en gelukkig komen onze stramme spieren door de zonnestralen en het hoge wandeltempo van onze “Gids” weer op temperatuur en terug in hun oorspronkelijke soepele vorm.

Onze “toeristische” wandeltocht leidt ons langs smalle paadjes, vlak langs de afgrond. Het kost ons dan ook onze uiterste concentratie om in de pas te lopen, aangezien we nog steeds met een handboei aan elkaar vastzitten en onze voeten maar een meter uit elkaar kunnen door de enkeltouwen. Ondanks mijn enkel-hoge outdoorschoenen en speciale wandelsokken, snijdt het touw in mijn enkels. Het klinkt raar maar het is prettig om lichamelijke pijn te voelen. Het leidt me af van gepieker en houdt me scherp bij elke stap die ik weloverwogen zet.
Links van ons kronkelt een riviertje, er zijn geen kano’s te bekennen dus daar hoeven we geen hulp van te verwachten. Het pad maakt een bocht en de begroeiing neemt toe. Het pad is overwoekert met grasachtige planten en mossen. Je kan zien dat hier niet veel mensen lopen, heel anders dan over de paden waar we eerst liepen. Steeds meer krijg ik het gevoel volledig van de buitenwereld gescheiden te worden. Er volgt een nieuwe bocht en de rivier wordt aan ons zicht onttrokken. Mijn laatste vleugje hoop op redding door toevallige passanten verdwijnt als sneeuw voor de zon.
Net wanneer ik moe begin te worden en wil vragen om een korte stop bots ik abrupt tegen Moniek op.
Guido heeft zijn rugzak op de grond laten zakken en tuurt omhoog. Ik volg zijn blik en mijn hart staat stil. Het is een vrij steile rots waar haken is bevestigd zijn en waar enkele touwen naar beneden hangen, lichtjes bewegend in de flauwe wind.

Onderaards – deel 13

grot
Guido klinkt onze handboeien weer vast aan de ring in de muur. Vervolgens haalt hij uit zijn achterzak enkele tyraps.
‘Handen op de rug’ gebiedt hij. Vakkundig maakt hij mijn vrije hand vast aan de geboeide hand en doet hetzelfde bij Moniek. Daarna trekt hij een zwarte stoffen zak over ons hoofd.

 

 

Paniekerig schud ik met mijn hoofd maar hij heeft het koord wat eraan zit aan licht aangetrokken zodat de zak met geen mogelijkheid van mijn hoofd gaat. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik verman mezelf tot kalmte. Hyperventilatie is het laatste waar ik op zit te wachten. Ik moet mijn hoofd koel houden.
Hij maakt de boeien los van de ring in de muur en trekt ons mee.
Ik hoor de deur open gaan en even later voel ik een tochtvlaag langs me heen strijken. We staan ofwel buiten, of in een gang. Het is donker dus ik heb geen idee.
Het is verrassend hoe snel je andere zintuigen zich aanpassen als je niets kan zien. Zo constateer ik dat de lucht die ik inadem muf ruikt. Naar alle waarschijnlijkheid bevinden we ons dus nog in de grot of tenminste toch onderaards.

‘Waar breng je ons naartoe’ hoor ik Moniek gesmoord vragen.
‘Dat merken jullie vanzelf. Geen vragen meer stellen en doorlopen.’
De grond onder mijn voeten is ongelijk en het kost me moeite om niet te struikelen.
Wat is die gek met ons van plan?
‘Bukken’ zegt Guido. Terwijl ik naar voren buig, verlies ik mijn evenwicht en val voorover op mijn knieën. Moniek tuimelt over me heen en stoot zo te horen haar hoofd. ‘Au mijn kop.’
‘Vooruit dames, opstaan en doorlopen.’
Het plastic van de tyrap snijdt in mijn pols als we ons onhandig omhoog wurmen.
Ik voel een hand mijn hoofd omlaag duwen. ‘Bukken en zorg dat je weer niet valt.’

Hoe lang we zo verder strompelen weet ik niet. Ik ben alle besef van tijd kwijt maar opeens voel ik dat het warmer wordt en is de ondergrond onder mijn voeten anders.
Ik denk dat we buiten zijn. Het zwarte fluweel van de kap over mijn hoofd laat niets, maar dan ook helemaal niets van licht door.
‘Stop.’
We staan stil en ik hoor een klik, waarschijnlijk van een autoslot.
Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik het geluid van schuifdeur van een busje hoor opengaan.
‘Voeten optillen en in de camionette stappen’ zegt Guido.
Moniek klimt er eerst in en ik volg direct, Guido houdt mijn arm vast zodat ik mijn evenwicht kan bewaren. De ribbels op de vloer verraden dat we in een bestelwagen zitten en niet in een personenbusje, er zijn dus geen bankjes of autostoelen.
‘Geen luxe touringcar Ladies, excuses van de reisorganisatie. Ga maar op uw gat zitten.’ En een seconde later gaat de schuifdeur al dicht. Nog voor we de vraag kunnen stellen of die vreselijk kap af mag.
‘Godver, ik wil die verdomde kap af” zeg ik gefrustreerd.
‘Anders ik wel.’ Moniek schuurt met haar hoofd tegen mijn schouder maar tevergeefs. Het lukt niet omdat het koord te strak is aangetrokken.
We voelen het busje schommelen als Guido achter het stuur kruipt en de deur dichtslaat. Een fractie later wordt de motor gestart en hobbelen we over een oneffen pad of wat het ook is, waardoor we steeds hardhandig tegen de ijzeren carrosserie aanbotsen.
‘Wat is die gek met ons van plan?’
‘Als hij ons had willen verkrachten dan had hij dat in die grot of wat het ook was, gedaan.’
Ik voel het zuur weer omhoogkomen, achteruitrijden is nooit goed geweest voor mijn wagenziekte.

Onderaards – deel 12

grot

 

Guido, onze gids en kidnapper, is zojuist onze grot of waar we ook gevangen zitten, binnengekomen.
Hij heeft eten en drinken gehaald.

 

 

Hij houdt de verpakte pakketjes voor ons neus: ‘smoske hesp of kaas?’

Aangezien ik geen kaas lust, kies ik voor de hesp. Het zal wel ham zijn, vermoed ik zo.
Guido gooit het broodje in mijn schoot. Met mijn vrije hand friemel ik het elastiekje eraf.
Het halve stokbroodje is rijkelijk belegd met sla, ham, tomaten en de rest kan ik niet zien want ik durf het niet open te duwen omdat het met één hand toch al lastig genoeg is om zo’n broodje te eten.
Ik neem een hap. In andere omstandigheden zou ik zeggen dat het heerlijk was maar op die koude stenen vloer, half vastgeketend kan ik niet genieten van dit brood